• Huis ter Heide
  • Natuur
  • Organisatie

De natuur floreert Vijf jaar natuurbegraafplaats Huis ter Heide

Dichtbegroeide stukken, een open gedeelte met heide en kleurig bloeiende kruiden en een halfopen eikenbos. Natuurontwikkeling en -herstel kosten tijd, maar nu natuurbegraafplaats Huis ter Heide haar vijfjarig jubileum beleeft, is duidelijk zichtbaar hoe de natuur floreert op een plek waar velen inmiddels hun laatste rustplaats hebben gevonden.

Een heuse trekpleister voor insecten, dat is het uitgestrekte heischraal grasland – een combinatie van heide, grassen en kruiden – aan de Loonsche Baan. “Gaspeldoorn, stekelbrem, zandblauwtje, muizenoortje…er verschijnen hier leuke soorten”, vertelt natuurbeheerder Guus. “Heide was hier vijf jaar geleden nog ver te zoeken. Inmiddels hebben vooral van struikheide erg veel.”

Maaien, maaien, maaien

Vóór de realisatie van de natuurbegraafplaats was op de plek van het heischraal grasland een berkenbos. Dat werd gekapt, in een poging de verdwenen heide waar Huis ter Heide haar naam aan dankt terug te brengen. “Maaisel met heidezaad, onder meer van de Loonse en Drunense duinen, werd uitgestrooid en sloeg aan. Nu zijn we bezig ook kruiden- en grassoorten terug te brengen.”

Dat laatste lukt alleen als zonlicht de bodem goed bereikt, zodat zaad kan ontkiemen. Daarvoor moeten woekerende soorten, met name de grassoort pijpenstrootje, heel gericht teruggedrongen worden. Dat betekent: “Maaien, maaien, maaien.”

In het verleden slaagde Natuurmonumenten er niet in om het toenmalige berkenbosje te transformeren naar heide. Dat komt omdat boswachters van grote natuurgebieden vaak honderden hectaren per persoon beheren. Op de natuurbegraafplaats dragen twee natuurbeheerders zorg voor ‘slechts’ 36 hectare. Guus: “Wij kunnen hier dus echt heel intensief en kleinschalig beheren. Per vierkante meter bekijken of er pijpenstrootje gemaaid moet worden is daar een voorbeeld van. ”

Kruidenrijk kruidenrijkje

Ook verderop op de natuurbegraafplaats heeft kleinschalig beheer mooi resultaat. Aan de Appelvink werd het pijpenstrootje lokaal uitgestoken en werden kruiden ingezaaid. “Vingerhoedskruid, dagkoekoeksbloem, vlasbekje, mannetjesreprijs….er zijn hier nu wel twintig soorten. Dit kleine stukje grond is nu een bron, van waaruit kruiden zich kunnen verspreiden.”

Dat is goed voor de voedselketen. Het betekent namelijk: “Meer soorten bloei en dus meer voedingsaanbod voor insecten. Waar vlinders op de ene soort afkomen, zoeken hommels juist weer iets anders.” Insecten trekken weer zangvogels. En ga zo maar door. “Vorig jaar broedde de grasmus hier voor het eerst. We zien ook steeds meer boompiepers en boomleeuwerikken.”

Een ander voorbeeld van succesvol, kleinschalig beheer is het hagedissen-paradijsje richting de Groote Bodem. “Hier in dit hoekje zagen we weleens levendbarende hagedissen, die komen af op het dode hout dat hier ligt.”

Besloten werd om het klein reptiel – dat het in Nederland moeilijk heeft, te helpen. “De hagedis houdt van zandgrond, om te zonnen en insecten te vangen. Dus ook hier hebben we pijpenstro uitgestoken. Een paar oude pollen hebben we laten staan, daar kan ‘ie in overwinteren. Zo is een ideaal klein gebiedje gecreëerd, van waaruit de hagedis misschien ook kan verspreiden.”

Nieuwe bosgeneratie

Dan is er nog de bosomvorming waar momenteel hard aan wordt gewerkt. Huis ter Heide was ooit een productiebos, met veel monotone naaldpercelen. “Juist door variatie wordt een bos minder kwetsbaar, nemen natuurwaarden toe en ga je verdere verzuring tegen.”

Door een aantal grove dennen en douglassparren te kappen zijn tijdelijke open bosplekken gecreëerd. “Zo komt zonlicht op de bodem en komt er ruimte voor andere soorten. Daar zorgt de natuur zelf voor. Alleen soorten die hier helemaal zijn verdwenen, zoals de linde, haagbeuk en de hazelaar, die planten we wel aan.

Jonge aanplant mag op de tijdelijke open plekken gaan uitgroeien tot een volwassen nieuwe bosgeneratie. Tegelijkertijd vinden mensen er een eeuwige laatste rustplaats in de beschutting van een troostrijk bos, dat weer langzaam dicht zal groeien.

Lex Querelle is gepensioneerd boswachter van Natuurmonumenten. Hij kent Huis ter Heide als zijn eigen broekzak. Ook hij ziet hoe het gebied de afgelopen vijf jaar floreert.

Hoop voor de toekomst

Hij noemt als voorbeeld het eikenbos, in het hart van de natuurbegraafplaats, dat halfopen beheert wordt: “Spontane verjonging krijgt daar de ruimte. Er zijn veel meer jonge bomen en struiken gaan groeien. Elk jaar geeft dat wat meer plaats voor vogels die graag hun nesten maken. Niet alleen de roodborst en de merel zijn in aantal toegenomen, maar ook een bijzondere soort als de nachtzwaluw heeft zich hier nu gevestigd. “

Ook het opnieuw aanplanten van de soorten die van nature in het gebied thuishoren juicht hij toe: “De nu ingezette veranderingen in de natuur hier geven hoop voor de toekomst. Voor mij en mijn vrouw een goede reden om hier ook alvast een natuurgraf voor ooit te hebben gereserveerd.”