Maashorst

De putter op natuurbegraafplaats Maashorst

Op het moment doen grote groepen putters Maashorst aan. Dat is niet zo vreemd als je je beseft dat deze korte afstand trekvogels graag in houtwallen, boomgaarden en in struiken langs randen van bossen vertoeven. De zangvogels uit de familie der vinkachtigen, houden van droge schrale plekken met ruige plantengroei.

Putters passen zich aan, aan landschappen zoals ze door de mens gemaakt zijn. De enige voorwaarde die ze stellen, is dat er voldoende planten met composieten aanwezig zijn, zoals distels en paardenbloemen in de zomer en zaden van de els en de lariks in de winter. Deze planten en bomen produceren de zaden waarvan de putter bijna geheel afhankelijk is. Alleen jonge putters krijgen ook veel insecten voorgeschoteld, omdat ze de eiwitten uit deze beestjes nodig hebben voor de groei.

Putters zijn opvallende vogels met een rood gezicht, en een verder zwart-witte kop. Aan de driehoekige spitse snavel zie je direct dat het een zaden- en insecteneter is. Putters hebben zwarte vleugels met een brede gele streep die je het beste kunt zien in de vlucht. De staart is zwart gevlekt, en de rug is bruin tot wit. Nu de bladeren nog aan de bomen staan, zie je ze niet altijd, maar je kunt ze zeker horen; ze kwetteren hoog en zingen allerlei deuntjes, ook in hun vlucht. Een ‘gevarieerde zang’ heet dat officieel.

Putters zijn monogaam en broeden van april tot augustus. Ze hebben maximaal twee nestjes per jaar en vragen maar weinig ruimte. Daarom zitten er vaak meerdere putterpaartjes in eenzelfde weiland of boomgaard. De nesten worden door de vrouwtjes gebouwd, en de mannetjes dragen het nestmateriaal aan. Ze stelen ook weleens nestmateriaal uit een vinkennest. Alle eieren worden in een dag of tien uitgebroed. Na ongeveer veertien dagen vliegen de jongen uit, maar blijven de ouders ze nog een tijdje voeren.