‘Een plek die ons meer te zeggen en te bieden heeft dan deze, is er niet’

Geboren in Bilthoven en Amsterdam, wilden Jan en Virginie Pathuis-Fermin halverwege de jaren tachtig graag dichter bij een mooi natuurgebied gaan wonen. De zoektocht bracht hen naar Malden. Ze houden van de natuur. Van er wandelen, joggen, er op vakanties van genieten. Hun laatste rustplek willen ze ook in de natuur. ‘Als je als achterblijver nog bij elkaar wilt zijn, dan ga je daar terug waar je samen was. Voor ons is dat deze natuur.’

‘In de vroege zomer van 1997 kregen we van de neurochirurg te horen dat er in het hoofd van Virginie een tumor groeide. En hoewel het een zogenaamde goedaardige tumor was, nam hij wel steeds meer plaats in. Ruimte die ten koste ging van de hersenen, met alle gevolgen van dien. Ikzelf had net de laatste chemo gehad in de strijd tegen Hodgkin en begon zelfs alweer een beetje haar terug te krijgen. In deze totaal verlamde toestand waarin je eigenlijk alleen maar stil kan zijn, of kan huilen, of elkaar voorzichtig omhelzen, vluchtten we van de sores van het huishouden naar de rustgevende omgeving van het jachtslot. In mijn herinnering is er een prachtige brede laan. We zaten daar op een bankje en keken de zon tegemoet. Er was verder niets. Vogels. Een haas misschien. De bladeren van de bomen, al volwassen en niet meer zo teer groen. We dachten aan verlies. Verlies van vitaliteit, functionaliteit, de vanzelfsprekendheid van een gezond lijf. Virginie zou geopereerd moeten worden en daarbij waarschijnlijk het gezichtsvermogen aan een oog verliezen. We realiseerden ons maar al te goed dat Virginie en de chirurg met zijn team een dag durende operatie stond te wachten. Dat gaat niet vanzelfsprekend allemaal goed. Zo fragiel kan het leven zijn. Het contrast met de vanzelfsprekendheid van het leven en de natuur om ons heen was zo indrukwekkend, dat het een deel van zijn kracht op ons afstraalde. Natuurlijk zouden we uiteindelijk onze levenslust weer terugvinden. Dat is de kracht en de moed die de omgeving ons gaf. We zijn nu 22 jaar verder en genieten, overwegend prima gezond en beweeglijk, nog dagelijks van de natuur en van elkaar.

Jaren later pas is de bestemming van dit terrein natuurbegraven geworden. Zonder ons de speciale betekenis van het gebied weer voor de geest te halen, hebben we onze belangstelling getoond. We gaan met het gebied een volgende fase in van afscheid nemen en verwerken. Ook dan is er het besef dat het leven zelf in al zijn kracht en rijkdom gewoon doorgaat. Zelfs als we er niet allebei meer deel van uitmaken. Een plek die ons meer te zeggen en te bieden heeft dan deze, is er niet.’